Een paar weken geleden schreef Marcel van Dam een column van Marcel van Dam in de Volkskrant, waarin hij verwees naar een Amerikaans onderzoek waaruit zou blijken dat de nieuwsbehoefte per generatie afneemt. “Ik wil iedere dag kennis nemen van het nieuws” is een stelling die door mensen van vóór 1930 in veel ruimere mate werd onderschreven dan door jongere generaties. Bert Ummelen, mijn chef bij de opinieredactie van de Gelderlander, concludeerde daarop in een commentaar in die krant: “Een steeds groter deel van de burgerij brengt de moeite die het verwerken van serieuze informatie nu eenmaal kost, niet meer op.”
Dat is maar de vraag. Vooropgesteld mag worden dat het onderzoek weinig overtuigt: dat oudere mensen anno 2005 meer behoefte zeggen te hebben aan nieuws, kan evengoed betekenen dat hoe ouder een mens wordt, hoe meer behoefte die heeft aan nieuws; die ouderen van nu waren in hun jonge jaren misschien net zo wars van de dagelijkse krant als jongeren tegenwoordig. Zou kunnen. Bovendien is te zeggen dat je behoefte hebt aan nieuws bepaald geen waardenvrije uitspraak: zeker jongeren hebben behoefte aan nieuws en willen daar ook best voor uitkomen, maar als je het nieuws noemt is het zo sááái – nieuws is een beladen term, zo blijkt ook uit onderzoek, en het meten van de persoonlijke dispositie ten aanzien van nieuws is dus al snel onzuiver.

Onderzoek van bijvoorbeeld de onderzoekster Irene Costera-Meijer heeft uitgewezen dat jongeren wel degelijk behoefte hebben aan nieuws, als het maar geen nieuws wordt genoemd; nieuwsconsumptie is nodig om de actualiteit met leeftijdsgenoten te kunnen bespreken. Andere vormen van nieuwsvoorziening, zoals de recentelijk aangekondigde Nieuwskraker van de Volkskrant, die de laatste headlines toevoegt aan het chatprogramma MSN Messenger, zou succesvol kunnen zijn.

Gisteren werd in Leiden het symposium Journalistiek & Nieuwe Media gehouden, waarover hier een artikel op Frankwatching. “Bestaande kranten worden geschreven en gelezen door babyboomers en zo houden ze elkaar als het ware in slaap,” stelde bijvoorbeeld Herbert Henk Blanken. Op zijn eigen weblog toont die zich echter in elk geval wel optimistisch over de toekomst van de dagbladjournalistiek journalistiek in het algemeen:

In Leiden heb ik geprobeerd uit te leggen dat ik geloof in de toekomst van journalistiek zolang er nog een publiek is dat het verschil waardeert tussen feit en fictie. Maar op die redenering valt wel wat af te dingen (en als de lezer dat niet doet, doe ik het zelf). Want wie zegt dat je een journalist nodig hebt om echt van nep te onderscheiden?

Ik wil daarop wel een antwoord formuleren, geholpen door de inspirerende toespraak die Doug Fisher van Common Sense Journalism hield bij een bijeenkomst van de Florida Press Club. Hij zegt onder meer:

You need to worry less about the technology and bet more on your craft. The medium does not matter as much as the journalism. If you’re a good storyteller – and that you’re here tonight shows you are, whether in words, pictures or graphics – you already are honing the skills necessary in this multimedia, always-on world. A good storyteller already tries to create a multimedia event in the reader’s mind. Sight, sound, smell – you’re trying to transmit all of them.

Dat lijkt wel wat op de mening van Peter Verweij, onderzoeker van internetjournalistiek, zoals die verwoord staat in het artikel op Frankwatching:

Nieuwe media zijn nog te veel georiënteerd op tekst. We moeten een nieuwe manier van verhalen vertellen leren, nieuws brengen met video, foto, geluid en tekst.

Verstandige woorden, al riekt het enigszins naar technologisch determinisme: internet, in het bijzonder het wereldwijde web, biedt de technische mogelijkheden om een verhaal met behulp van tekst, geluid en beeld te vertellen. Dat wil echter niet zeggen dat een verhaal op effectieve wijze verteld kan worden wanneer verschillende media tegelijkertijd worden ingezet. Doug Fisher stelt dan ook:

Fortunately, we rather quickly shrank from this vision of the new-age multimedia reporter as “Edward Scissorhands” – outfitted with multiple tools, a veritable Swiss Army knife of a journalist. Of course, as in the movie, things tended to turn out badly when it was tried, or even when we just thought about it much. We now seem to realize this “one-person band” idea isn’t the best and this isn’t going to be journalism on the cheap.

Dat lijkt mij ook niet. Fisher vervolgt:

[A]t its essence, journalism is small. We too often confuse journalism with the practice of putting out a newspaper or putting on a newscast. Those are team efforts. But the process of gathering news, of discovering and uncovering, of going places where the average person can’t go – that, my friends, remains a one-on-one relationship between source and journalist. And that’s not likely to change anytime soon.

Dat klinkt inspirerend en tevens niet voor discussie vatbaar. Maar Fisher heeft toch niet niet helemaal gelijk. Hij stelt dat journalistiek in essentie mediumneutraal is. Maar de professionele identiteit van een journalist, zijn verhouding tot de lezer, de waarde van zijn verhalen – die zaken worden mede bepaald door de culturele omgeving van de journalist: de organisatie waarin hij werkt, het medium dat hij gebruikt. Het is misleidend te stellen dat hoewel traditionele media-organisaties verouderd zijn, de individuele journalisten gewoon elders kunnen doorgaan met journalistieke verhalen vertellen. Journalistiek is geen op zichzelf staand iets, met een medium als willekeurig doorgeefluikje.

Niet alleen de journalistieke organisaties moeten zich opnieuw uitvinden – journalisten moeten zichzelf evengoed opnieuw uitvinden. Zij moeten begrijpen hoe jongeren media gebruiken. Je kunt geen verhaal vertellen dat via een RSS-feed wordt verstuurd, als je zelf niet weet wat een RSS-feed is. Je kunt geen verhaal schrijven dat gepubliceerd wordt op internet als je zelf nooit online bent. Marshall McLuhan’s stelling The medium is the message is wellicht wat gechargeerd, maar bevat een flinke kern van waarheid: het is een mythe dat communicatie mediumneutraal is. Het is dan ook naief om te reageren op de technologische veranderingen – en belangrijker: de veranderende patronen in mediaconsumptie – door te stellen dat wie bronnen kan interviewen en ‘een verhaal kan vertellen’ wel goed terechtkomt, en dat het medium dan later wel komt. Ik kan me voorstellen dat babyboomers op krantenredacties zich graag door dergelijke woorden in slaap laten sussen (ook begrijp ik dat de column van Van Dam op krantenredacties in heel Nederland is ingelijst, voorzien van het commentaar: “Zie je wel! Het ligt niet aan ons, de mensen houden gewoon niet meer van nieuws!”), maar het is niets meer dan gemakzucht.

Er zal ook in de toekomst behoefte blijven aan journalisten, want zeker in een wereld waarin informatie alomtegenwoordig is, is de behoefte aan onderscheid tussen feit en fictie alleen maar groter. Hoe schaarser de waarheid, hoe waardevoller zij is. Zeker wanneer iedereen informatie kan produceren en versturen, is de behoefte aan duiders, aan informatie-managers, aan mensen die in een democratische samenleving de taak wordt toevertrouwd om de waarheid te schiften van bakerpraatjes – alleen maar groter. Dat zullen geen werknemers zijn van gecentraliseerde mediaconglomeraten, vermoed ik. Maar behoefte aan mensen die veel lijken op de hedendaagse journalisten zal er zeker zijn. Ik verwed er mijn toekomstige baan in de journalistiek op.

 

link: http://www.jaapstronks.nl/archief/de-toekomst-van-de-journalistiek/